direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Watergang - Stiereveld
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0852.BPKWAstiereveld015-on01

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de bouw van 18 woningen op de locatie Stiereveld. Dit is de locatie van de voormalige Tiede Bijlsmaschool en het naastgelegen perceel. Deze basisschool is in 2005 gesloten. Gemeente Waterland wil in principe meewerken aan het nieuwbouwproject. Omdat de voorgenomen ontwikkeling niet past binnen het geldende bestemmingsplan, wordt voor de locatie een nieuw bestemmingsplan opgesteld (zie paragraaf 1.3).

1.2 Plangebied

Het plangebied sluit aan op de zuidzijde van de bebouwde kom van Watergang. Het plangebied ligt ingesloten tussen Kanaaldijk en Dorpsstraat. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0852.BPKWAstiereveld015-on01_0001.png" Figuur 1. De ligging van het plangebied (bron: Google Earth)

1.3 Geldende planologische regeling

Het geldende bestemmingsplan voor dit perceel is op dit moment het bestemmingsplan 'Kernen Waterland 2013', vastgesteld op 04-11-2013. Voor het plangebied geldend op dit moment de bestemmingen 'Tuin', 'Maatschappelijk' (ter plaatse van de school), 'Wonen - 2' (ter plaatse van de bestaande woning) en 'Water' ter plaatse van structuurbepalende watergangen. Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' en 'Wonen - 2' is met een bouwvlak aangeduid op welke plek bebouwing mag staan. Binnen de bestemmingen 'Tuin' en 'Water' mogen geen gebouwen worden gebouwd.

Tot slot zijn voor het plangebied ook de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Aardkundig' opgenomen ter bescherming van (mogelijke) archeologische en aardkundige waarden ter plaatse.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is een beschrijving gegeven van het plan. Hierbij wordt ingegaan op de ruimtelijke en functionele aspecten van het plan. Vervolgens is in hoofdstuk 3 een beschrijving gemaakt van het provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, dat een relatie heeft met het plangebied en/of de ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt op de diverse omgevingsaspecten ingegaan. Een juridische beschrijving van het plan is gegeven in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk wordt onder andere ingegaan op de diverse bestemmingen. Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid. Hierbij vormt grondexploitatie een onderdeel van de economische hoofdstuk 7 wordt ingegaan op overlegreacties die op het plan zijn indiend.

Hoofdstuk 8 tot slot gaat in op de zienswijzen die eerder zijn ingediend en de wijzigingen die in het plan zijn opgenomen.

In 2012 is voor het bouwplan Stierveld namelijk eerder een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Er zijn een aantal redenen om het bestemmingsplan opnieuw als ontwerp ter inzage te leggen:

  • De planvorming heeft lange tijd stilgelegen, zodat een geactualisatiseerde toets aan de wet- en regelgeving noodzakelijk is;
  • Naar aanleiding van welstandsadvies zijn een aantal aanpassingen in het plan doorgevoerd;
  • Gewijzigde inzichten met betrekking tot de waterhuishouding;
  • Het ontwerpbesluit Hogere grenswaarden vanwege wegverkeerslawaai moet gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd (wettelijk voorschrift).

Op dit aangepaste ontwerpbestemmingsplan kunnen (opnieuw) zienswijzen worden ingdiend.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Watergang ligt in het veenweidegebied. Dit landschap wordt gekarakteriseerd door ontginningsassen van natuurlijk of gegraven water langs een weg. Haaks op de ontginningsas zijn sloten gegraven. Hierdoor is een karakteristiek patroon ontstaan van lange lintdorpen in een waterrijk gebied met brede sloten en smalle strokenverkaveling loodrecht op de wegen.

De hoofdstructuur van Watergang bestaat uit langgerekte dorpsbebouwing langs de smalle Dorpsstraat. De lintbebouwing is overwegend gegroepeerd, met hiertussen open ruimtes in het lint. De Dorpsstraat vormt de centrale as van het dorp, met haaks daarop enkele zijstraatjes. Deze zijstraatjes staan in enkele gevallen in verbinding met de kanaaldijk. Het dorp wordt gekarakteriseerd door de lintbebouwing, de vele watergangen en kleine ophaalbruggen. De doorzichten naar het achterliggende open landelijke gebied zijn waardevol voor het aanzien van het dorp. Het dorp heeft haar oorspronkelijke uitstraling weten te behouden, omdat er relatief weinig nieuwbouw is toegevoegd.

Het plangebied is 5.685 m2 groot. Momenteel zijn op de planlocatie de Tiede Bijlsmaschool en een woning aanwezig. De school verkeert in slechte staat van onderhoud. De school is in 2005 reeds gesloten.

De huidige situatie in het plangebied wordt weergegeven in de onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0852.BPKWAstiereveld015-on01_0002.png"

Figuur 2 Huidige situatie in het plangebied

2.2 De ontwikkeling

Algemeen

De huidige bebouwing (school en woning) in het plangebied wordt gesloopt. In het plangebied worden 18 woningen ontwikkeld. Voor de bouw van de woningen is een stedenbouwkundig programma van eisen opgesteld. Van de 18 woningen worden er 12 in de vrije sector gebouwd en 6 als sociale woningbouw ontwikkeld. Het woningbouwprogramma is als volgt ingevuld:

  • 6 rijenwoningen (sociale huur- of koopwoningen);
  • 8 twee-onder-één-kap woningen;
  • 4 vrijstaande woningen.

Watergang heeft een lange traditie van traditionele bouwvormen en karakteristieke bebouwingstypologie. Het plan Stiereveld sluit hier op aan. Dit komt tot uiting in de materialisatie en vormgeving van de woningen, maar ook de inrichting van de openbare ruimte speelt mee. De toekomstige inrichting van het gebied is weergegeven in figuur 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0852.BPKWAstiereveld015-on01_0003.png"

Figuur 3 Overzicht van het beoogde bouwplan

Woningen

De woningen zijn geïnspireerd op bouwvormen die karakteristiek zijn voor Watergang. De kapvorm staat vrij. Over het algemeen krijgen de woningen één bouwlaag met kap. Incidenteel is twee bouwlagen met kap mogelijk. Het kleur- en materiaalgebruik en de detaillering van de woningen zijn gebaseerd op karakteristieke Waterlandse (houtbouw) architectuur. Een impressie van de toekomstige situatie is weergeven figuur 4.

Beeldkwaliteit/welstand

Op 6 februari 2012 heeft de Adviesommissie voor ruimtelijke kwaliteit WZNH een advies uitgebracht over het woningbouwproject Stiereveld. Daarbij zijn de volgende aandachtspunten benoemd:

  • Het behouden van de doorzichten naar het achterliggende landschap is van belang
  • Er dient meer afwisseling in het ontwerp te komen met een informeel dorps karakter;
  • De commissie suggereert de kavels te vergroten en daar het parkeren op te lossen, op eigen terrein, dan kan het openbare terrein daadwerkelijk openbaar zijn
  • De woningen mogen gerust wat verspringen en opzichte van elkaar en per kavel verschillend zijn.

Ambtelijk heeft de provincie zich in positieve zin uitgelaten over de ontwikkeling, maar heeft wel een aantal aanbevelingen ter verbetering van het ontwerp meegegeven. Het ontwerp is op basis hiervan aangepast. Een impressie van de toekomstige situatie is weergeven in figuur 4.

Motivering stedenbouwkundige inpassing

Allereerst kenmerkt de Kanaaldijk zich met een diversiteit aan woontypologiën, zowellosse korrels als wat langere bouwblokken. Het thans voorliggende plan heeft aan de Kanaaldijk beide korrels in zich en sluit in die zin aan op de belendingen. Het is daarmee een contextueel plan op deze plek.


Stedenbouwkundig is gekozen voor een wat groter volume min of meer op de plek van de bestaande dorpschool. Het volume is hierbij georiënteerd op de Kanaalweg. Langs de Kanaalweg wordt geen ruimte gelaten voor (hoge) schuttingen. Dit wordt geregeld door de bestemming Tuin Onbebouwd aan de westzijde op het plangebied te leggen.


De aangebouwde bouwwerken zijn naar achteren geplaatst en geven daarbij de aansluiting op de belendende tweekappers met een zijontsluiting. Hiermee wordt de vroegere setting van de dorpsschool op deze plek in herinnering gehouden.

Op verzoek van de provincie is het grote parkeerterrein aan de voorzijde van het plan naar binnen gehaald. Op deze manier is de auto verholen achter de woonbebouwing in de eerste lijn. De auto is uit het zicht verdwenen vanaf de Kanaalweg.

Voorlangs de woonbebouwing aan deze weg loopt een trottoir, die toegang geeft tot de aan de zijkant gelegen ontsluiting van de tweekappers. In de tweede lijn wordt in dit plan een informele setting van vrijstaande woningen en tweekappers voorgesteld. Het is een afwisselende rij met langs- en dwarskappen als overgang naar het buitengebied.

Zowel in korrelgrootte als in beeldtaal is getracht een als het ware organisch gegroeide informele setting te maken. Samen met de eerstelijns bebouwing aan de kanaalweg vormt deze bebouwing een hofje en een klein straatje als uitloper, waar groen van tuinen en parkeren een dorpse, informele inrichting bieden. Ook hier zijn de entrees deels aan de zijkanten maar ook aan de hofzijde gesitueerd.

Doorzichten worden daarnaast aan de rechterzijde en bij de entree voorgesteld. Met name bij de ontsluiting wordt hiermee een duidelijk doorzicht richting het open landschap gecreëerd. De entree is hier ruim gedimensioneerd en van een dubbele bomenrij voorzien. Op deze manier wordt aan de Kanaalweg een groene onderbreking gecreëerd.

In beeldtaal is ten slotte getracht het informele karakter van een dorpslint met doorzichten te accentueren door zowel in gevelverbeelding als in daken een afwisselend beeld te ontwerpen. Hiermee is sprake van een kleinschalig dorpskarakter.


afbeelding "i_NL.IMRO.0852.BPKWAstiereveld015-on01_0004.png"

Figuur 4 Impressie toekomstige situatie

Openbare ruimte

De openbare ruimte bestaat uit een ontsluitingsweg met parkeerplaatsen op het middenterrein. De weg krijgt een inrichting met rode klinkers. Hiermee wordt aangesloten bij de Dorpsstraat. De openbare ruimte wordt aangekleed met solitaire bomen en boomgroepen in gras. Bij de bomen wordt gedacht aan (treur)wilg en els. Dit zijn bomen die passen bij een nat landschap, zoals dat van Watergang. In het plan is een bescheiden speelvoorziening voorzien. De speeltuin van Watergang voorziet in de behoefte voor de wat grotere jeugd, op het erf is informeel spelen mogelijk.

Verkeer

De Dorpsstraat behoudt haar huidige functie en profiel. Dit is tevens een goede veilige ontsluiting voor voetgangers. De Dorpsstraat is zoveel mogelijk ontzien voor autoverkeer. Daarom zijn, met uitzondering van twee woningen (W1 en W2), alle woningen ontsloten op de Kanaaldijk. Hierdoor ontstaat er een interne weg. Deze weg wordt ingericht als 30 km/uur-gebied.

Deze weg heeft een eenvoudig profiel. Er is geen onderscheid tussen rijbaan en trottoir. Voor langzaamverkeer is er een nieuwe doorkoppeling vanaf de Kanaaldijk naar de Dorpsstraat aanwezig.

De verkeerssituatie is onderzocht. In het onderzoek zijn ook de andere ontwikkelingen in Watergang ('t Schouw, De Dollard en de Coöperatie) betrokken. Uit het onderzoek blijkt dat de woningbouw verkeerskundig goed is in te passen (zie bijlage 3).

Parkeren

De aanwezige (openbare) ruimte in het plangebied is beperkt. Dit vraagt extra aandacht voor de parkeeroplossing. Op basis van CROW-publicatie 317 is het aantal bednodigde parkeerplaatsen berekend. In totaal zijn er 39 parkeerplaatsen nodig (zie tabel 1).

Functie   Parkeernorm   Aantal   Totaal  
Koop, vrijstaand   2,3   4   9,2  
Koop, twee-onder-een-kap   2,2   8   17,6  
Koop, tussen/hoek   2,0   4   8  
Koop, etage midden   1,9   2   3,8  
Totaal     18   38,6 (39)  

Tabel 1 Aantal benodigde parkeerplaatsen

Op eigen terrein worden 24 parkeerplaatsen gerealiseerd. In het plan worden er 20 parkeerplaatsen in de openbare ruimte gerealiseerd. Vooral de sociale huurwoningen zullen daar gebruik van maken. Het omgerekende aantal parkeerplaatsen komt hiermee op 44. Op deze manier wordt ruim aan de parkeernorm voldaan en is sprake van voldoende parkeergelegenheid voor de woningen.

In de planregels wordt overigens een bepaling opgenomen dat op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning wordt getoetst aan de actuele parkeernorm en dat het aantal parkeerplaatsen ook in stand moet worden gehouden.

2.3 Uitgangspunten

Het woningbouwprogramma krijgt zijn vertaling in de bestemming 'Wonen -2' (overeenkomstig het bestemmingsplan Kernen 2013). Omdat er verschil is binnen goot- en bouwhoogten wordt de maximale goot- en bouwhoogte van de woningen op de verbeelding gedifferentieerd. De situering van de woningen wordt vastgelegd middels een bouwvlak. Hierdoor krijgen het stedenbouwkundig programma van eisen, het advies van de welstandscomissie en het advies van de ARO een goede vertaling.

De openbare ruimte wordt bestemd als 'Verkeer - Verblijf'. Binnen deze bestemming is ook ruimte voor het parkeerterrein.

Het plangebied wordt voor een belangrijk deel begrenst door watergangen. De meeste watergangen liggen net buiten het plangebied en behouden daardoor de bestemming 'Water'. Voor zover de watergangen in het plangebied liggen, worden deze voorzien van de bestemming 'Water' zodat de watergangen niet gedempt kunnen worden.

Hoofdstuk 3 Beleid

Dit hoofdstuk behandelt het beleid dat betrekking heeft op dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid dat een relatie heeft met de genoemde ontwikkeling en/of het plangebied.

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Voor het bestemmingsplan zijn geen nationale belangen van belang.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Het artikel is op 12 mei 2017 gewijzigd. Deze wijziging is op 1 juli 2017 in werking getreden. Voor dit plan wordt getoetst aan deze nieuwe regeling, die inhoudt dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevat. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

In dit ruimtelijk plan is, op basis van het aantal woningen dat gerealiseerd wordt, sprake van een stedelijke ontwikkeling. De onderbouwing van de behoefte is nog volgens de 'oude' ladder onderbouwd:

  • 1. beoordelen of de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale behoefte;
  • 2. beoordelen of deze vraag ook binnen bestaand bebouwd gebied gerealiseerd kan worden;
  • 3. en een beoordeling of – indien het voorgaande niet het geval is – de locatie buiten bestaande bebouwd gebied wel multimodaal is of kan worden ontsloten.

Stap 1 van de ladder voor duurzame verstedelijking
Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 18 woningen. Twaalf woningen zijn bedoeld voor de vrije sector en zes woningen als sociale woningbouw. Op basis van onderzoek naar de woningbehoefte in de gemeente Waterland en in de Metropool Regio Amsterdam (MRA) kan het volgende worden geconcludeerd:

  • 1. De totale plancapaciteit is in 2017 ten opzichte van 2016 met 70.714 woningen toegenomen. Hiervan betreft 35.112 harde plancapaciteit.
  • 2. De totale reële plancapaciteit bedraagt tussen 180.000 tot 215.000  woningen, de vraag bedraagt circa 230.000.
  • 3. De harde plancapaciteit tot 2020 bedraagt circa 45.000, de vraag bedraagt circa 42.000.
  • 4. Zaanstreek-Waterland heeft onvoldoende harde plancapaciteit op korte termijn (3 jaar).
  • 5. Circa 30% van alle zachte plancapaciteit is buiten bestaand stedelijk gebied gelegen (o.a. in Zaanstreek-Waterland).
  • 6. Van verdere verkenning van verdichtingsmogelijkheden is vooral sprake in Amsterdam en Haarlem.
  • 7. Kwalitatief is er grote vraag naar grotere uitbreidingslocaties buiten bestaand stedelijk gebied (suburbaan grondgebonden); 25-40% van de vraag.
  • 8. O.a. Zaanstreek-Waterland voert grootschalige potentiële locaties  op buiten bestaand stedelijk gebied, met voornoemde reden als motivatie in het RAP.
  • 9. De plancapaciteit (280.000) kan tot 2040 in de MRA voldoende zijn voor de woningvraag (231.000), 40% daarvan bedraagt harde plancapaciteit (108.000), de reële plancapaciteit bedraagt 180.000.
    • a. In Zaanstreek-Waterland is de woningvraag (24.700) op lange termijn groter dan de plancapaciteit (21.200). Tot 2025 is de woningvraag groter, daarna is tot 2040 de plancapaciteit groter.
    • b. In Almere-Lelystad lopen woningvraag en plancapaciteit tot 2025 redelijk gelijk op, daarna is de plancapaciteit (72.000) groter dan de woningvraag (43.000).
    • c. In Amstelland-Meerlanden lopen woningvraag (36.000) en plancapaciteit (38.800) op de lange termijn redelijk gelijk op. Tot 2025 is de plancapaciteit groter, daarna is tot 2040 de woningvraag groter.
    • d. In Amsterdam is woningvraag (94.000) op lange termijn kleiner dan de plancapaciteit (115.000).
    • e. In Gooi en Vechtstreek is de woningvraag (13.400) op lange termijn groter dan de plancapaciteit (11.600). Tot 2025 is de plancapaciteit groter, daarna is tot 2040 de woningvraag groter.
    • f. In Zuid-Kennemerland-IJmond is de woningvraag (21.400) op lange termijn gelijk aan de plancapaciteit (21.600). Tot 2025 is de plancapaciteit groter, daarna is tot 2040 de woningvraag groter.
  • 10. Oplevering van woningen in de MRA is naar verwachting 65.000 tot 2020, daarna 80.000 tot 2025, daarna 45.000 tot 2030, daarna 90.000 tot 2040.
  • 11. Statistisch gezien kan rekening gehouden worden met 35.000 woningtoevoegingen zonder of door middel van lichte planologische procedures, waardoor het reële totaal kan oplopen tot 215.000.

Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat er voldoende behoefte is aan woningen in de gemeente Waterland. Hiermee is de behoefte en de regionale afstemming gewaarborgd.

Stap 2 van de ladder voor duurzame verstedelijking
Bij gebleken behoefte (stap 1) dient in stap 2 van de duurzaamheidsladder te worden beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins.

Van belang is of de onderhavige locatie reeds aan te merken is als 'bestaand stedelijk gebied'. Gelet op de bewoording van artikel 1.1.1 lid h wordt onder 'bestaand stedelijk gebied' verstaan: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing te behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Uit de handreiking 'ladder voor duurzame ontwikkeling van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu blijkt voorts: “Sommige provincies hebben in een verordening ruimte de afbakening van bestaand stedelijk gebied in woord en/of kaartbeeld vastgelegd”.

Ook de recent vastgestelde Provinciale Ruimtelijke Verordening hanteerd het begrip 'bestaand stedelijk gebied' zoals beschreven is in artikel 1.1.1 lid h. Op basis hiervan ligt het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied. Het gebied omvat namelijk grotendeels het stedelijk groen van de kern Watergang en gedeeltelijk de bebouwing van de voormalige Tiede Bijlsmaschool. Het plangebied voorziet dan ook in een logische invulling en afronding van de dorpsstructuur. Er is sprake van een herstructurering van bestaande bebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0852.BPKWAstiereveld015-on01_0005.png"

Figuur 5 Begrenzing van bestaand bebouwd gebied

Stap 3 van de ladder voor duurzame verstedelijking
Als herstructurering of transformatie van bestaand stedelijk gebied onvoldoende mogelijkheden biedt om aan de regionale, intergemeentelijke vraag te voldoen, is trede 3 aan de orde. Bij deze trede moet worden beschreven in hoeverre wordt voorzien in de geconstateerde behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Nu echter uit de behandeling van de 2e trede is gebleken dat de onderhavige ontwikkeling plaatsvindt door herstructurering en transformatie van een bestaande stedelijke omgeving, is de 3e trede niet (meer) aan de orde. Overigens blijkt uit de beschrijving in paragraaf 2.2 dat de locatie passend wordt ontsloten en is voorzien van voldoende parkeerplaatsen.

Conclusie rijksbeleid

Het plan voldoet aan de uitgangspunten van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Daarnaast raakt het plan niet aan Nationale Ruimtelijke Belangen. Geconcludeerd wordt dat het ruimtelijk Rijksbeleid de realisatie van het plan niet in de weg staat.

3.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Noord-Holland 2040

Het ruimtelijk beleid van de provincie Noord - Holland is vastgelegd in de Structuurvisie Noord-Holland 2040. In de structuurvisie geeft de provincie een toekomstbeeld, waaruit het provinciaal belang volgt. Het toekomstbeeld is als volgt gedefinieerd: 'De Provincie Noord-Holland zorgt dat Noord-Holland een mooie, veelzijdige en internationaal concurrerende provincie blijft door in te zetten op klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik.'

Om het geschetste toekomstbeeld ruimtelijk te realiseren heeft de provincie provinciale belangen benoemd. De drie hoofdbelangen (klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik) vormen gezamenlijk de ruimtelijke hoofddoelstelling van de Provincie. De hoofdbelangen zijn in de Structuurvisie uitgewerkt. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening zijn regels verbonden aan de hoofdbelangen (zie onderstaand).

De provincie Noord-Holland zet de komende dertig jaar in op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden omringd door aantrekkelijk recreatie en groen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de ruimtelijke kwaliteit, duurzaam ruimtegebruik en klimaatbestendigheid. De provincie wil steden optimaal benutten, landschappen open houden en ruimte bieden aan economie en woningbouw.

Provinciale Verordening (versie 1 maart 2017)

Op 1 maart 2017 is de Provinciale Ruimtelijke Verordening vastgesteld. In deze verordening zijn op grond van art. 4.1 Wro regels gesteld om de bovenstaande provinciale belangen te waarborgen. In onderstaande tabel wordt het bestemmingsplan getoetst aan de relevante artikelen van de provinciale verordening (PRV).

  Toetsingscriterium   Conclusie  
  De verordening stelt dat in de onderbouwing beschreven moet worden op welke wijze er rekening wordt gehouden met de aanwezige aardkundige waarden.   Het plangebied ligt in een aardkundig waardevol gebied. In het plangebied zijn geen zichtbare aardkundige waarden (zoals stuwwallen, duinen, wadden en beekdalen) aanwezig.  
Artikel 2 lid k Aanwijziging Bestaand Stedelijk Gebied   Gebied als bedoeld in artikel 1.1.1 eerste lid onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening;
 
Voor dit bestemmingsplan is de aanwijzing van 'Bestaand Stedelijk Gebied' (BSG) van belang. De PRV verwijst voor de aanwijzing hiervan naar het Besluit ruimtelijke ordening, waarin het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur als BSG is aangemerkt. Het plangebied maakt deel uit van het stedelijk bebouwingslint van Watergang Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat het plangebied binnen het Bestaand Stedelijk Gebied ligt.  
  Een bestemmingsplan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als deze ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken.   Met het voorliggende plan is sprake van het herstructureren van bestaande bebouwing. Het bouwplan wordt genoemd in het regionale woningbouwprogramma (geregistreerd op www.plancapaciteit.nl)  
  Voor de gebieden die aangeduid zijn als bufferzones maakt een bestemmingsplan verdere verstedelijking niet mogelijk in de vorm van nieuwe gebouwen buiten bestaand bebouwd gebied.   Dit plan leidt niet tot bebouwing van agrarische grond.  

Tabel 1 Toetsing aan de Provinciale Ruimtelijke Verordening

Conclusie provinciaal beleid

Het voornemen past binnen het provinciaal beleid. De nieuwe woningen worden gebouwd binnen 'bestaand stedelijk gebied'. Omdat de nieuwe woningen worden gebouwd op een perceel dat nu ook al bebouwd is en de opzet van het bouwplan is gebaseerd op de Waterlandse bouwkarakteristiek, doen de woningen geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van de bufferzone of Nationaal Landschap Laag Holland. Bij de ontwikkeling van Stiereveld is juist veel aandacht besteedt aan de relatie met en de inpassing in het landschap. Hier is in paragraaf 2.2 nader ingegaan. Gesteld wordt dat de voorgestane ontwikkeling past binnen het provinciaal beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

Welstandsnota gemeente Waterland

De gemeente Waterland heeft haar welstandsbeleid beschreven in de Welstandsnota Waterland 2013 (vastgesteld op 23 mei 2013). In de Welstandsnota worden algemene en gebiedsgerichte welstandscriteria onderscheiden. De algemene welstandscriteria gelden als uitgangspunt voor iedere welstandsbeoordeling. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt om te beoordelen hoe het bouwwerk past in zijn omgeving. (Ver)bouwplannen worden getoetst aan de Welstandsnota.

Volgens artikel 2.26 van de welstandsnota valt de locatie binnen het Landelijk gebied. Voor dit gebied geldt een regulier welstandsniveau. Daarbij is het van belang dat de streekeigen landelijke architectuur wordt beschermd, zodat de cultuurhistorische en landschappelijke waarde niet verloren gaat. Voor het gebied wezensvreemde gebouwen of elementen (bijvoorbeeld wolfseinden) moeten worden voorkomen. In de welstandsnota zijn criteria opgenomen voor:

  • de relatie met de omgeving;
  • massa en opbouw van het gebouw;
  • detailering, materiaal en kleurgebruik.

Bij de toetsing van het bouwplan is door Adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit WZNH aandacht besteed aan deze aspecten. Het advies van WZNH is verwerkt in het definitieve bouwplan dat is opgenomen in dit bestemmingsplan.

Duurzaamheidsagenda

Op 9 juni 2015 is door het college van burgemeester en wethouders van Waterland de Duurzaamheidsagenda gemeente Waterland 2015-2018 vastgesteld. Voor de bestuursperiode 2014 – 2018 zijn in het collegeprogramma drijfveren en ambities geformuleerd op het gebied van duurzaamheid. Ook voor 2014 zijn al acties uitgevoerd om de gemeente duurzamer te maken maar deze werden niet centraal gecoördineerd en gestructureerd. De duurzaamheidsagenda is het instrument dat de acties van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. Het is een levende agenda. De agenda is gevuld met praktische plannen en data waarop ze uitgevoerd kunnen worden. Daarnaast zal de agenda aangevuld en/of bijgesteld worden als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht ons ertoe dwingt andere eisen te stellen aan onze bedrijfsvoering, klanten, partners en/of omgeving. De volgende uitgangspunten worden daarbij gehanteerd:

  • Energieopwekking uit hernieuwbare bronnen met oog voor de karakteristieke stads- en dorpsgezichten en weidse vergezichten. In de gebouwde omgeving wordt ingezet op inpassing van zonne-energie. Het cultuurhistorische landschap laat grootschalige energieopwekking niet overal toe.
  • Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden - vanuit het oogpunt van duurzaamheid - meerdere scenario's onderzocht waarbij gekeken wordt naar nieuwbouw versus renovatie, de koppeling van energie-neutrale oplossingen met uit te voeren ruimtelijke maatregelen en de oriëntatie van de bebouwing met het oog op realisatie van zonnepanelen.
  • Aan nieuwbouwprojecten worden duurzaamheidseisen gesteld. Met ingang van 2016 is voor nieuwbouw en renovatie - voor wat betreft ons eigen vastgoed - energieneutraliteit uitgangspunt. (= Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC) score van 0). Dit is geen harde eis. We stellen echter wel een ondergrens vast van EPC = 0,15. In de uitvoering wordt de nadruk gelegd op het uitdagen van de markt via het selectieproces van ontwikkelende partijen.
  • Bij nieuwbouwprojecten wordt een GPR score van minimaal 7 geëist. Met deze Gemeentelijke Praktijkrichtlijn wordt getoetst op de thema's Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde.
  • Met woningcorporaties worden prestatie afspraken gemaakt waarbinnen de ambities en minimale eisen over huurwoningen contractueel vastgelegd worden. Hierbij wordt gestreefd naar energielabel B bij renovatie en een EPC = 0 bij nieuwbouw.
  • Naast eisen op het gebied van energie en duurzame materialen is levensloopbestendig bouwen het uitganspunt.

Conclusie gemeentelijk beleid

Het voornemen is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid. Het plan is opgenomen in het woningbouwprogramma van Waterland. Het plan voldoet aan de criteria uit de Welstandsnota. Bij het uitwerken van de bouwtekeningen wordt rekening gehouden met het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Waterland.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Uit de bestaande omgevingssituatie kunnen (wettelijke) belemmeringen en/of voorwaarden voortkomen voor dit bestemmingsplan. Het uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat er een goede omgevingssituatie ontstaat. In de volgende paragrafen zijn de randvoorwaarden die voortvloeien uit de omgevingsaspecten beschreven.

4.1 Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan dient met het oog op de natuurbescherming rekening te worden gehouden met de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Hierbij dient te worden aangetoond dat als gevolg van de geplande activiteiten de gunstige staat van instandhouding van waardevolle dier- en plantensoorten niet in het geding komt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 zijn beide aspecten geregeld in de Wet Natuurbescherming.

Gebiedsbescherming

Wat betreft de gebiedsbescherming gaat het om de bescherming van gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en/of om gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het 'Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske'. Dit gebied grenst aan het plangebied en maakt ook deel uit van Natuurnetwerk Noord-Holland en provinciaal weidevogelleefgebied.

Uit (geactualiseerd) ecologisch onderzoek (Bijlage 4) blijkt dat vanuit het plangebied geen structurele negatieve effecten zijn te verwachten. Wel kan tijdens de bouw sprake zijn van tijdelijke effecten als gevolg van hei-werkzaamheden. Om effecten te vvoorkomen, is het wenselijk om buiten het kwetsbare seizoen te heien of door te werken met trillingsarme heitechnieken. Dit geldt ook voor het gebruik van bouwlampen. Veilige perioden voor bouwwerkzaamhedn liggen tussen oktober en april.

Soortenbescherming

De bescherming van soorten is gebaseerd op Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens Wet natuurbescherming is een aantal planten- en diersoorten aangewezen die licht, middelzwaar of zwaar beschermd zijn. Voor licht beschermde soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke projecten. Indien zwaarder beschermde soorten voorkomen worden nadere eisen gesteld. Er kunnen enkele licht beschermde diersoorten op enige wijze in het gebied voorkomen. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen.

In het plangebied worden ingrepen voorgesteld die mogelijk leiden tot aantasting van verblijfplaatsen van beschermde soorten. Daarom is een ecologische beoordeling uitgevoerd.

Tijdens het ecologisch veldonderzoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen of vogels aangetroffen binnen het plangebied (zie Bijlage 4). Zodoende zijn er vanuit de soortbescherming geen belemmeringen voor de uitvoering van het project te verwachten.

4.2 Aardkundige waarden

Het plangebied ligt in een aardkundig waardevol gebied. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden geregeld. De verordening stelt dat in het bestemmingsplan beschreven moet worden op welke wijze er rekening wordt gehouden met de aanwezige aardkundige waarden.

In het plangebied zijn echter geen direct zichtbare aardkundige waarden (zoals stuwwallen, duinen, wadden en beekdalen) aanwezig. Het bouwplan voorziet ook niet in dusdanige bodemingrepen, dat daardoor het bodemarchief verloren gaat. Het aspect aardkundige waarden. staat daarom de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.3 Archeologie

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie.

Het archeologisch beleid van de gemeente Waterland is vastgelegd in de 'Archeologienota Waterland 2011'. In deze nota wordt verwoord hoe het behoud van archeologische waarden of het onderzoek daarnaar worden zeker gesteld.

Volgens de archeologische beleidsadvieskaart ligt het plangebied in een gebied waarin archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden bij plannen vanaf 2.500 m2 en dieper dan 0,40 meter. Daarom is archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5 ). Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied door de ligging in een ontgonnen veenvlakte een lage trefkans heeft op archeologische resten en/of sporen uit de periode Neolithicum - Middeleeuwen. Daarnaast treedt er door de geplande zandophoging praktisch geen verstoring van de bodem op. In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen vanaf de Late Middeleeuwen bekend. Gezien de lage trefkans op archeologische resten en/of sporen ouder dan de Nieuwe Tijd wordt het plangebied vrij gegeven.

Ten aanzien van het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.4 Water

Een belangrijke onderdeel van de planvorming is de Watertoets. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten.

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Het waterschap is op de hoogte gebracht van het voornemen via de website www.dewatertoets.nl. Ook heeft het hoogheemraadschap gereageerd op het bestemmingsplan in het kader van het vooroverleg (zie bijlage 9). In het kader van dit nieuwe ontwerpbestemmingsplan heeft het Hoogheemraadschap haar advies geactualiseerd (d.d. 5 augustus 2015). Onderstaande uitgangspunten zijn gebaseerd op deze adviezen.

Watercompensatie

Om de effecten op het watersysteem en de omgeving te beperken adviseert het hoogheemraadschap de bestaande waterloop langs nr 65 te handhaven. Een brede waterloop aan de zuidzijde langs perceel nr 90 is dan waterhuishoudkundig niet meer nodig. Op deze wijze wordt er zo min mogelijk gewijzigd aan de waterstructuur (en bijbehorend effect op de grondwaterstanden). 145 m2 wordt gecompenseerd door het verbreden van de bestaande waterlopen. Hierdoor is er in de compensatieberekening nog slechts een tekort van 168-145=23 m2 om waterneutraal uit te komen. Dammen worden meegeteld als demping, terwijl voor een brug geen watercompensatie noodzakelijk is. Voor de resterende wateropgave heeft het Hoogheemraadschap aangegeven, dat gebruik kan worden gemaakt van de waterbank.

Nieuwe visie HHNK op onderhoud van waterlopen

In het verleden was het uitgangspunt dat nieuwe waterlopen in stedelijk gebied in de toekomst door HHNK onderhouden zouden worden. De overname onderhoud stedelijk water met de gemeente Waterland is recentelijk afgerond. Het resultaat is dat in Watergang de waterlopen haaks op de provinciale weg N235 in onderhoud bij de aangrenzende eigenaren blijven. Dit betekent dat aangrenzende eigenaren in het plangebied vanaf hun kant de halve watergang onderhouden. Hierbij is het niet verstandig om de sloot te breed te maken. Een maximale waterloopbreedte van 3 a 4 meter is hierbij gewenst.

Waterkwaliteit

Als uitgangspunt voor de bebouwing geldt dat het hemelwater zoveel mogelijk wordt afgekoppeld en dat niet uitloogbare (dak-)materialen worden gebruikt. Deze aspecten worden betrokken bij de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen.

Ten aanzien van het aspect water zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.5 Milieuzonering

Het milieubeleid en de daarop gebaseerde regelgeving spelen een belangrijke rol bij het ruimtelijk ordeningsbeleid. Beide beleidsterreinen richten zich op de bescherming van de kwaliteit van de (leef)omgeving. In ruimtelijke plannen wordt de situering van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) ten opzichte van elkaar (milieuzonering) geregeld. In de toelichting bij een bestemmingsplan dient aangegeven te worden op welke wijze aan dat beleid gestalte wordt gegeven.

In de omgeving van het plangebied liggen geen bedrijven die hinder kunnen veroorzaken voor de woonfunctie in het plangebied. De woonfunctie in het plangebied zelf zal ook geen hinder voor zijn omgeving veroorzaken.

Ten aanzien van het aspect milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.6 Bodem

Verdachte plekken met betrekking tot de kwaliteit van de bodem dienen in het kader van de Wet bodembescherming bij ruimtelijke plannen en projecten te worden gesignaleerd vanuit een goede ruimtelijke ordening.

Het plangebied is in het verleden altijd in gebruik geweest als school en woning. In het verleden hebben er in het plangebied geen activiteiten plaatsgevonden die de bodem kunnen vervuilen. Het plangebied wordt daarom gezien als een onverdachte locatie. In het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt een bodemonderzoek uitgevoerd.

Ten aanzien van het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.7 Geluidhinder

In het kader van geluid is de Wet geluidhinder van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. In het kader van de voorgenomen activiteit is verkeerslawaai van belang.

Ten behoeve van het aangepaste ontwerpbestemmingsplan is nieuw akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 6). Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De geluidsbelasting overschrijdt de maximale ontheffingswaarde echter niet. Uit het onderzoek blijkt ook dat verdere maatregel om de geluidsbelasting te beperken niet mogelijk, gewenst en/of doelmatig zijn. Voor de woningen waarbij de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden worden dan ook hogere grenswaarden vastgesteld. Het ontwerpbesluit hogere grenswaarden ligt samen met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage.

Ten aanzien van het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan aan de orde.

4.8 Luchtkwaliteit

Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft de luchtkwaliteit. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt of;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

In het kader van de ontwikkeling van Stiereveld en drie andere projecten aan de N235 ('t Schouw, De Dollard en De Coöperatie) is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7). Uit het onderzoek blijkt dat de vier projecten 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen en dat deze concentraties naar verloop van tijd aanzienlijk afnemen.

Aangezien langs de maatgevende wegen wordt voldaan aan de grenswaarden, zal dit ook ter plaatse van de verschillende ontwikkelingslocaties en in de verdere omgeving van het plangebied het geval zijn. De concentraties luchtverontreinigende stoffen worden immers lager naarmate zij verder van de weg zijn gelegen.

Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.9 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Op grond van deze benadering worden grenzen gesteld aan de risico's gelet op de kwetsbaarheid van de omgeving. De regels voor externe veiligheid rondom bedrijven zijn opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bevi). Voor transportroutes is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van toepassing.

De risico's worden daarbij aan twee verschillende normen getoetst: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenoemde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor de ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Nieuwe ontwikkelingen binnen het invloedsgebied, die een wezenlijke toename teweegbrengen van het GR, moeten (bestuurlijk) worden verantwoord. Door deze verantwoordingsplicht zal een bestuurlijke afweging en keuze worden gemaakt waarin de nieuwe ontwikkeling wordt afgewogen tegen aspecten als externe veiligheid, zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en economische belangen.

Het projectgebied ligt niet binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en buisleidingen. Het projectgebied ligt wel aan de N235. Hier vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Deze weg is niet opgenomen in het Basisnet Weg. Dat houdt in dat er geen risicocontouren overschreden worden.

Er is onderzoek uitgevoerd naar het PR en het GR van deze weg (zie bijlage 8). Uit de RBMII-berekening blijkt dat geen 10-6/jaar-contour aanwezig is. Dit betekent dat het PR ten gevolge van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N235, geen belemmering vormt voor het mogelijk maken van de nieuwe ontwikkelingen.

Het groepsrisico neemt als gevolg van de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toe. Dit wordt veroorzaakt door de extra personen die binnen het invloedsgebied van de N235 aanwezig zijn. Vanwege de toename van het groepsrisico is de wettelijk verplichte invulling van de verantwoordingsplicht noodzakelijk.

Het absolute groepsrisico is aanzienlijk kleiner dan 10% van het groepsrisico. In lijn met artikel 7 en 8 van het Bevt is voor dit plan gekozen voor een 'korte' verantwoording. Dit houdt in dat advies wordt ingewonnen over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid en dergelijke zoals opgenomen in de rapportage in .

Ten aanzien van het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.10 Kabels en leidingen

In de directe omgeving van het plangebied liggen geen kabels of leidingen die planologsiche bescherming behoeven of die leiden tot belemmeringen voor het gebruik van het plangebied.

4.11 Vormvrije mer-beoordeling

Normstelling en beleid

In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Toetsing en uitgangspunten voor het bestemmingsplan

Het plan kan worden gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage. Een dergelijk project is echter pas mer-beoordelingsplichtig vanaf 2000 woningen.

Gelet op de kenmerken van het plan (het kleinschalige karakter in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit mer), de plaats van het project (ligging achter de dijk) en de kenmerken van de potentiële effecten treden geen belangrijke negatieve milieugevolgen op. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Voor het plan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit mer.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Algemeen

Digitalisering

In de Wet ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat alle bestemmingsplannen digitaal moeten worden ontsloten. Bij het teken van de digitale plankaart (verbeelding) is gebruik gemaakt van een actuele ondergrond van de Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN) van 9 april 2015.

Opbouw van de bestemmingen

In dit hoofdstuk zijn de verschillende bestemmingen toegelicht. Alle bestemmingen starten met een toelichting waarin een bestemmingsomschrijving wordt weergegeven en waarin kort wordt ingegaan op de specifieke bouw- en gebruiksregels. Daarnaast wordt ingegaan op de afwijkingsregels en de wijzigingsregels. In de planregels zijn alle bestemmingen als volgt opgebouwd.

Bestemmingsomschrijving

Hierin staat beschreven voor welke functie(s) de gronden mogen worden ingericht, gebruikt en hoe de onderlinge rangorde van functies is. Met aanduidingen wordt op enkele specifieke locaties extra functiemogelijkheden geboden.

Bouwregels

Hierin is aangegeven welke gebouwen en andere bouwwerken zijn toegestaan en welke maatvoering daarbij aangehouden moet worden.

Specifieke gebruiksregels

Gronden en gebouwen worden gebruikt passend bij de bestemming. Wanneer nodig worden bepaalde gebruiksvormen uitgesloten. In enkele gevallen zijn objectieve grenzen opgenomen voor functies, zoals oppervlaktematen, hoogtes en dergelijke.

Afwijking van de bouw- en gebruiksregels

In het bestemmingsplan is voor een aantal omstandigheden de mogelijkheid opgenomen om af te wijken van de bouw- en gebruiksregels. Hierdoor krijgt het college de benodigde flexibiliteit af te wijken voor bepaalde, voorzienbare situaties. Van geval tot geval wordt daarvoor door het bevoegd gezag een afweging gemaakt. Indien van toepassing wordt advies ingewonnen van de waterbeheerder, leidingbeheerder, wegbeheerder en dergelijke.

Er zijn ook gebruiksvormen die beleidsmatig wel mogelijk zijn, maar die vanwege de benodigde afweging onder een afwijking zijn gebracht. Deze zogenoemde binnenplanse afwijkingen wordt (door middel van een omgevingsvergunning) slechts verleend na een zorgvuldige afweging van waarden en functies in de bestemmingen.

Vergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden

Voor een aantal werken en werkzaamheden geldt een vergunningplicht voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde. Het gaat daarbij om werken en werkzaamheden die structureel ingrijpen in de aard van de gegeven bestemming. Dat betekent dat deze pas mogen worden uitgevoerd, nadat een omgevingsvergunning is verkregen. Hierbij vindt een afweging van belangen naar evenredigheid plaats. Als het gaat om activiteiten die behoren tot het normale onderhoud, normaal beheer of het normaal gebruik, is geen vergunning vereist. Bij de toelaatbaarheid van activiteiten wordt vanuit het evenredigheidsbeginsel een belangenafweging gemaakt tussen het belang van de functies van waaruit de vergunning wordt aangevraagd en de specifieke waarden die ter plaatse aanwezig zijn.

Overgangsbepaling

Het overgangsrecht is gericht op bouwwerken die met een vergunning of een melding zijn gebouwd, of een gebruik dat ooit is toegestaan, maar dat nu, vanwege een bestemmings- of beleidswijziging onder het overgangsrecht is gebracht. Ook tientallen jaren aanwezige bouwwerken, die niet met een vergunning zijn gebouwd, of langdurig aanwezig gebruik wordt met het overgangsrecht beschermd. Het overgangsrecht is gericht op het uiteindelijk verdwijnen van deze bouwwerken of de beëindiging van het gebruik ervan, zodat de situatie in overeenstemming raakt met de gegeven bestemming.

In beginsel mogen de bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen, slechts in ondergeschikte mate gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Het is niet mogelijk om hiermee geheel of in stappen tot een nieuw bouwwerk te komen.

Algemene toetsingscriteria

In de regels wordt verwezen naar algemene toetsingscriteria. Dit speelt ten aanzien van het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Hieronder volgt een toelichting op deze criteria.

Het bebouwingsbeeld

Er moet worden gestreefd naar een in stedenbouwkundig opzicht samenhangend bebouwingsbeeld. Dit betekent dat bij bebouwing wordt gestreefd naar:

  • een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte;
  • een goede bouwhoogte- / breedteverhouding tussen de bebouwing onderling;
  • een samenhang in bouwvorm / architectonisch beeld tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar is georiënteerd.

De woonsituatie

Er moet rekening worden gehouden met het in stand houden en garanderen van een redelijke lichttoetreding, een redelijk uitzicht, de aanwezigheid van voldoende privacy en een goed woon- en leefmilieu.

De verkeersveiligheid

Verkeersveiligheid staat onder druk door de toename van (zwaarder) verkeer op de kleinere wegen. Deze wegen worden ook gebruikt voor toeristisch verkeer. Bij functies waarbij het verkeer toeneemt, moet een zorgvuldige afweging plaatsvinden. In een verkeersveilige situatie worden vrije uitzichthoeken bij kruisingen van wegen en uitritten gegarandeerd.

De milieusituatie

Hinder voor omwonenden en een verkeersaantrekkende werking moet worden voorkomen. Bij de situering en omvang van milieubelastende functies moet erop worden gelet dat bestaande milieugevoelige functies niet in het functioneren worden beperkt. Omgekeerd moet er bij uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies op worden gelet dat bestaande milieubelastende functies niet in het functioneren worden beperkt. Voor de afweging worden de afstanden van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) gehanteerd.

De gebruiksmogelijkheden

In principe moeten gronden en gebouwen worden gebruikt in overeenstemming met de bestemming. Bij een nieuw gebruik moet altijd worden getoetst aan het huidige gebruik van de aangrenzende bestemmingen. Het aangrenzend gebruik mag niet onevenredig worden gehinderd door het nieuwe gebruik.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

In deze paragraaf wordt een korte toelichting gegeven op de inhoud van de bestemmingen in dit bestemmingsplan.

Verkeer - Verblijf

De interne ontsluitingsweg is samen met het parkeerterrein en het fietspad onder de bestemming 'Verkeer - Verblijf' gebracht. Het is niet toegestaan gebouwen te bouwen in deze bestemming.

Wonen

De woningen in Stiereveld zijn bestemd als 'Wonen - 2'. De ligging van de woningen is vastgelegd door middel van een bouwvlak. Op de verbeelding is in de bouwvlakken aangegeven hoeveel woningen er gebouwd mogen worden. Hiermee komt het totaal aantal uit op maximaal 18 woningen. De maatvoering verschilt per woning. Daarom is de maatvoering op de verbeelding opgenomen.

Voor bijgebouwen geldt dat deze achter de aanduiding 'gevellijn' gebouwd moet worden. De maatvoering van deze aanbouwen moet beperkt blijven tot de helft van de voorgevelbreedte en een diepte van maximaal 5 meter.

Ten aanzien van de aan- en bijgebouwen is een gedifferenteerde regeling opgenomen. De oppervlakte bijgebouwen verschilt per woningtype. Bij een tussenwoning mag de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken per hoofdgebouw maximaal 50 m2 bedragen. Er geldt een maximum van 40% van de oppervlakte van het achtererf. Bij een halfvrijstaande woning mag is de oppervlakte maximaal 60 m2 tot een maximum van 40% van de oppervlakte van het achtererf. Bij vrijstaande woningen tenslotte geldt een maximale oppervlakte van 75 m2 tot een maximum van 40% van het achtererf.

Bij de woningen zijn aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegestaan. Hiervoor mag maximaal 30% van het vloeroppervlak gebruikt worden. Er is een afwijking met een omgevingsvergunning opgenomen om de oppervlakte te vergroten tot maximaal 50% van het vloeroppervlak.

Water

Watergangen in het plangebied die niet mogen worden gedempt, krijgen de bestemming 'Water'.

Waarde - Aardkundig

Net als in het geldende bestemmingsplan Kernen 2013, is ter bescherming van de aardkundige waarden in het plangebied wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Aardkundig' opgenomen. Bij toekomstige bouwplannen en bodemingrepen moet aan de regels van deze dubbelbestemming worden getoetst.

Waarde - Archeologie 4

Ter bescherming van archeologische waarden zijn dubbelbestemmingen opgenomen. De gronden binnen deze dubbelbestemmingen zijn mede bestemd ter behoud van de aanwezige archeologische waarden. Hiervoor is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen.

In de Archeologienota Waterland 2011 zijn verschillende zones opgenomen. Per zone is aangegeven vanaf welke oppervlakte en diepte een omgevingsvergunning nodig is voor werkzaamheden die de bodem kunnen verstoren. Bij ingrepen kleiner dan de genoemde oppervlakte en diepte is geen omgevingsvergunning noodzakelijk. Binnen het plangebied komt één archeologiegebied voor. In paragraaf 4.3 is dit gebied toegelicht.

Archeologisch onderzoek moet uitgevoerd worden door een gecertificeerd archeologisch onderzoeksbedrijf. Daarmee wordt gewaarborgd dat het onderzoek volgens de KNA-richtlijnen (Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie) wordt uitgevoerd.

Tuin - onbebouwd

Om eventuele bebouwing aan de zijde van de Kanaalweg te voorkomen, is langs deze zijde de bestemming Tuin - onbebouwd opgenomen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voorafgaand aan de bestemmingsplan procedure is het stedenbouwkundig programma van eisen (spve) opgesteld. Het spve heeft ter inzage gelegen. Tijdens deze procedure heeft iedereen zijn visie op het plan kenbaar kunnen maken.

Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde bestemmingsplanprocedure. Hieronder volgt een nadere toelichting.

Vooroverleg

Omdat de gemeente participatie van belangenorganisaties belangrijk vindt, heeft de gemeente deze partijen de mogelijkheid geboden reacties op het voorontwerpbestemmingsplan kenbaar te maken. In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan opgestuurd naar de overlegpartners. De uitkomsten van het vooroverleg zijn in hoofdstuk 7 weergegeven.

Omdat op het spve de mogelijkheid van inspraak is geboden is het bestemmingsplan niet ter inzage gelegd.

Ontwerpbestemmingsplan

De resultaten van inspraak en overleg worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan wordt vervolgens zes weken ter visie gelegd. In deze periode kan eenieder zijn zienswijze kenbaar maken.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Het type woningen is afgestemd op de lokale vraag. Er worden zeven rijtjeswoningen gebouwd die vallen in de sociale sector. Daarnaast worden 10 twee-onder-één-kap woningen en twee vrijstaande woningen gebouwd. Hiermee worden de woningen verkoopbaar geacht, waardoor het plan economisch uitvoerbaar is. Bovendien wordt KPO Planontwikkeling als projectontwikkelaar geacht een dergelijk plan te kunnen realiseren.

6.3 Grondexploitatie

Door middel van de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor het bestemmingsplan. Daarnaast hebben gemeenten sturingsmogelijkheden, omdat in het geval van grondexploitatie door derden diverse eisen en regels gesteld kunnen worden.

Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van woningen. Dit valt onder de bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. In de Wro is opgenomen dat voor dergelijke bouwplannen, in verband met het kostenverhaal van de gemeente, in beginsel een exploitatieplan vastgesteld moet worden. Van het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien als voornoemde kosten 'anderszins verzekerd' zijn, bijvoorbeeld door overeenkomsten, en het stellen van eisen en een fasering niet noodzakelijk worden geacht.

Tussen de gemeente en de ontwikkelaar is een overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst is geregeld dat alle kosten die verband houden met het initiatief, te weten de kosten voor het maken van het bestemmingsplan (inclusief onderzoekskosten), de kosten voor de uitvoering van het plan en de kosten voor nutsvoorzieningen, worden betaald door de ontwikkelaar. Verder zijn er geen gemeentelijke kosten die verhaald dienen te worden. Omdat met deze overeenkomst het kostenverhaal geregeld is, en het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is, beslist de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan dat er geen exploitatieplan wordt vastgesteld, omdat het kostenverhaal anderszins verzekerd is.

Hoofdstuk 7 Vooroverleg en inspraak

7.1 Vooroverleg

In het kader van het bestuurlijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, is het bestemmingsplan opgestuurd naar de overlegpartners. Twee instanties hebben een reactie ingediend. In zijn de reacties samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie. De ingediende reacties leiden niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

7.2 Inspraak

Op basis van het stedenbouwkundig programma van eisen zijn burgers en belangenorganisaties in de gelegenheid gesteld hun reactie op het plan te geven. Om die reden is er op het voorontwerpbestemmingsplan geen mogelijkheid tot inspraak geboden.

Hoofdstuk 8 Aangepast ontwerpbestemmingsplan

In 2012 is al een ontwerpversie van het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Omdat het bouwplan na die tijd stil is komen te vallen en een aantal (beperkte) aanpassingen in het plan zijn doorgevoerd, is besloten om het bestemmingsplan opnieuw als ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. Onderstaand worden de zienswijzen die op het eerdere zijn ingediend kort besproken. Ook wordt ingegaan op de aanpassingen die ten opzichte van het vorige ontwerpbestemmingsplan zijn doorgevoerd.

8.1 Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan

De vorige versie van het ontwerpbestemmingsplan van het project Stiereveld heeft van 24 februari tot en met 5 april 2012 ter inzage gelegen. In deze periode zijn twee zienswijzen op het plan ingediend. Omdat indieners opnieuw de mogelijkheid krijgen om hun zienswijze op het plan in te dienen, wordt de zienswijzen onderstand beknopt samengevat en beantwoord.

Zienswijze 1

Door een aantal omwonenden is een gezamenlijke zienswijze ingediend. De nummering in de onderstaande samenvatting en beantwoording verwijst naar de nummering in de zienswijze.

Opmerkingen

1a. Indieners willen graag één aanspreekpunt, in verband met de aansprakelijkheid op lange termijn. Verwezen wordt naar de motoie van D66 die is aangenomen in verband met het bouwproject Het Schouw (4 november 2010);

1b. Er wordt geëist dat voor en na de bouw metingen worden verricht;

2. Indieners zijn van mening dat met de voorgenomen bouwhoogtes en bouwintensiteit is sprake van aantasting van het landelijke karakter;

3.In samenhang met de andere bouwplannen in Watergang heeft het project een enorme impact op geluidsbelasting en de luchtverontreiniging. Indieners zijn daarom ook tegen enige vorm van bedrijfsvoering;

4a. In het voorontwerp wordt gtesproken over bepalingen om tijdens de bouwperiode effecten voor natuurgebieden te voorkokmen

4b. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de natuureffecten wanneer de woningen er eenmaal staan;

4c. Op de website Nationale Landschappen wordt vermeld dat nieuwbouwprojecten alleen nog zijn toegestaan om de eigen bevolkingsgroei op te vangen;

4d. De gemeente zou meer specifiek onderzoek moeten uitvoeren naar de soorten waarvoor de speciale beschermingszone in Het Varkensland is aangewezen

4e. In het plan wordt onvoldoende aandashcht besteed aan de natuureffecten wanneer de woningen er eenmaal staan. Zo wordt bijvoorbeeld niet bepaald dat ver schijnende buitenverlichting niet is toegestaan.

5a. Naar aanleiding van de watertoets zou de sloot langs de zuidrand minimaal 6 meter breed moeten zijn;

5b. Als het terrein wordt opgehoogd kan sprake zijn van toenemende wateroverlast. Hoe wordt dit voorkomen?

5c en d. De nu bestaande sloot tussen de tuin van het Schoolhuis en het landje van Kok kan niet zomaar verdwijnen. Voorgesteld wordt om hier een nieuwe diepe sloot te maken;

5e. Indieners vinden dat het jaarlijks onderhoud van de waterkering en de sloten bij de projectontwikkelaar hoort te liggen;

5f. In de brochure lijkt een rij bomen op het naastgelegen terrein te staan. Deze bomen zullen echter verdwijnen bij de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Daarmee verdwijnt ook de privacy. Indieners eisen dat de hele rij bomen blijft staan;

5g. Wordt bij de aanleg van de nieuwe sloot rekening gehouden met de wortels van deze bomen?

5h. De randvoorwaarden voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen lijken erg ruim. Betekent dit dat overal mag worden gebouwd en wat is het maximaal te bouwen oppervlak?

5i. Er is geen toets aan het rijksbeleid opgenomen. Wordt hier wel aan voldaan?

5j. Indieners zijn tegen (kleinschalige) bedrijfsvoering bij de nieuw te bouwen woningen;

6. Er is geen toets aan het rijksbeleid opgenomen. Wordt hier wel aan voldaan?

7. Indieners maken zich zorgen over de verkeerscirculatie. Dit moet goed worden afgestemd met de provincie;

8. Indieners verzoeken het college rekening te houden met de zienswijze en om de bewoners schriftelijk op de hoogte te stellen van verdere ontwikkelingen.

Reactie gemeente

1a. De gemeente is altijd aanspreekpunt in het geval van planschade. Een verzoek tot planschade kan worden ingediend op het moment dat het bestemmingsplan is vastgesteld. Voor de afhandeling van planschade zijn de regels uit de Wet ruimtelijke ordening van toepassing;

1b. Het verrichten van metingen voor en na de bouw is niet bij elk bouwproject noodzakelijk. Dit wordt gedaan als er sprake kan zijn van relevante trillingshinder. Bij het voorliggende bouwproject wordt dit in principe niet gedaan;

2. De gemeente staat op het standpunt dat het plangebied qua ligging en qua huidige gebruik geen deel uit maakt van het landelijk gebied. De locatie is in de huidige situatie ook bebouwd, zij het minder intensief. Direct ten zuiden en ten noorden van de bebouwing ligt geconcentreerde bebouwing. Het bebouwen van het plangebied draagt bij aan het versterken van de stedenbouwkundige structuur ter plaatse. Wat betreft de bouwhoogtes is geen sprake van de aantasting van het dorpse karakter van Watergang. De bebouwing bestaat overwegend uit woningen van een bouwlaag met kap. Een goot- en bouwhoogte van 4 respectievelijk 9 meter sluit goed aan bij de bebouwing in de omgeving. Exact dezelfde goothoogte als de bestaande woningen is niet mogelijk, omdat de nieuwe woningen ook moeten voldoen aan het Bouwbesluit;

3. Naar de aspecten geluid- en luchtkwaliteit is onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 4.7 en 4.8 van deze toelichting). Daarbij is rekening gehouden met de samenhang met andere bouwplannen in Watergang. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidskwaliteit en luchtverontreiniging voldoet aan de wettelijke grenswaarden.

Het uitoefenen van een kleinschalig beroep of bedrijf aan huis is een mogelijkheid die bij alle woningen in Waterland wordt toegestaan. Van deze mogelijkheid wordt in de praktijk beperkt gebruik gemaakt. Overigens leidt deze mogelijkheid niet per sé tot een grotere verkeersaantrekkende werking. Doordat mensen thuis werken, is immers ook sprake van minder woon-/werkverkeer. Of het uitoefenen van een beroep aan huis per saldo leidt tot meer of minder verkeer, is afhankelijk vna het type beroep. De verkeersaantrekkende werking is in elk geval beperkt;

4a. Op dit moment wordt het ecologisch onderzoek geactualiseerd. Gekeken wordt welke natuurwaarden op dit moment aanwezig zijn en welke randvoorwaarden vanuit de natuurwetgeving gelden;

4b. Zie de beantwoording onder 4a;

4c. Sinds het in werking treden van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is er geen landelijk beleid meer voor de Nationale Landschappen van toepassing. Ook de provincie heeft de bescherming van Nationale Landschappen losgelaten met het actualisatie van de Provinciale Ruimtelijke Verordening van 2014;

4d. In de actualisatie van het ecologisch onderzoek wordt aandacht besteed aan de natuurwaarden van het Varkensland;

4e. Uit het geactualiseerde natuuronderzoek moet blijken of aanvullende maatregelen voor de verlichting noodzakelijk zijn;

5a. In het definitieve plan is gekozen voor een andere invulling van de watercompensatie dan in het stedenbouwkundig plan. De watergang nabij de school blijft in stand en de watergang aan de zuidzijde van het plangebied komt te vervallen. De benodige watercompensatie komt vooral tot stand door het verbreden van bestaande sloten.

5b. Het plangebied wordt ongeveer een meter opgehoogd. Nu de bestaande watergang wordt gehandhaafd, is van wateroverlast geen sprake.

5c en d. De bestaande sloot tussen de tuin van het Schoolhuis en het landje van Kok blijft behouden.

5e. Het onderhoud van sloten en kades ligt in de eerste plaats bij de toekomstige eigenaren van gronden. Dit wordt bepaald in de koopcontracten.

5f. en g. Waar mogelijk worden de bestaande bomen op het perceel gehandhaafd. Het is echter niet mogelijk om alle bomen op het perceel te behouden. Overigens gaat het niet om bomen met een beschermde status,

5h. De mogelijkheden voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen lijken zijn begrenst op basis van artikel 6.2.4, en 6.2.5

5i. In het aangepaste ontwerpbestemmingsplan is wel een toetsing aan het rijksbeleid opgenomen in paragraaf 3.1;

5j. Het uitoefenen van een kleinschalig beroep of bedrijf aan huis is een mogelijkheid die bij alle woningen in Waterland wordt toegestaan. Van deze mogelijkheid wordt in de praktijk beperkt gebruik gemaakt. De aard en ruimtelijke uitstraling van deze activiteiten is altijd beperkt. In de planregels is de oppervlakte van deze activiteiten begrenst en er eis een lijst opgenomen met toegestaande bedrijfscategorieën

6. Zie de beantwoording onder 5i;

7. Tijdens de voorbereiding van het plan is onderzoek gedaan naar de verkeersafwikkeling in de omgeving van Watergang. Daarbij is rekening gehouden met de verschillende bouwplannen in de omgeving (zie bijlage 3). Uit dit onderzoek blijkt dat de bestaande infrastructuur het verkeer goed kan verwerken. Mede naar aanleiding van dit onderzoek zijn een aantal verkeersmaatregelen getroffen:

  • De kruising kanaaldijk –N235 – Populierenweg is opnieuw ingericht. De oversteek met de bushalte is verplaatst
  • De spitsbusbaan naast de  (N235) wordt ingericht voor gebruik in twee richtingen ten behoeve van een robuust OV.
  • De SRA gaat –in samenwerking met het rijk- onderzoeken of de langzaam verkeer verbinding tussen t Schouw en Purmerend als snel fietspad vorm gegeven kan worden, rekening houdend met de bredere fiets en de snelle E-bike.
  • De provincie wil geen extra ingrepen (middels een VRI), dus geen extra aansluitingen / uitwegen op de N235.

8. Mede naar aanleiding van de zienswijzen zijn een aantal aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen. De indieners van zienswijzen worden middels een brief op de hoogte gebracht van het nieuwe ontwerpbestemmingsplan.

Zienswijze 2

Samenvatting

1. Zie bovenstaand

2. a. Volgens de structuurvisie Waterland 2005 worden uitbreidingsmogelijkheden ontwikkeld in relatie tot de omvang en ruimtelijke potentie van de kern. De indieners willen weten hoe in dit percpectief wordt gekeken naar het landelijke karakter van het Stiereveld?

2b. Indieners vernemen graag waarom de cultuurhistorische waarde van het schoolgebouw ondergeschikt wordt gemaakt aan de uitbreiding van nieuwbouwwoningen. Daarbij gaat zij er vanuit dat de gemeente geen onveilige situaties creëert voor de huidige (tijdelijke) bewoners van het pand. Tot slot is het gebouw constructief verbonden met het woonhuis van de indieners. Schade die wordt ondervonden door het uiblijven van onderhoud, wordt op de gemeente verhaald;

2c. In de nota wordt aangeven dat wordt getoetst aan gebiedsgerichte welstandscritia. Daarbij wordt in het voorgenomen bouwplannen te zeer afgeweken van de lintbebouwing van de Kanaaldijk;

2d. Enkele jaren geleden is een aanvraag voor de uitbreiding van het gebouw van de indiener afgewezen omdat dit het beschermd dorpsgezicht van Watergang zou aantasten. Hoe wordt in dit licht de uitbreiding van 18 woningen gemotiveerd?

3. In het ontwerpbestemmingsplan wordt gesteld dat de definitieve verkaveling al heeft plaatsgevonden. Indieners hopen dat de definitieve verkaveling pas plaatsvindt nadat het bestemmingsplan is vastgesteld?

4. Indieners zijn van mening dat het geluidsrapport is gebaseerd op onjuiste en onvolledige aannames en verzoekt dit rapport aan te passen;

5. Indieners maken de gemeente er op attent dat zij de gemeente en de initiatiefnemers van het bouwplan aansprakelijk (zullen) stellen voor alle schade. Het betreft daarbij schade als gevolg van het afnemenende woongenot, hinder van het toegenomen aantal verkeersbewegingen, het toestaan van bedrijfsmatige activiteiten, constructieve problemen, hinder tijdens de bouwperiode en de verandere waterhuishouding.

Reactie

1. Voor de afhandeling van planschade zijn de regels uit de Wet ruimtelijke ordening van toepassing. De gemeente is altijd aanspreekpunt in het geval van planschade. Een verzoek tot planschade kan worden ingdiend op het moment dat het bestemmingsplan is vastgesteld. In lijn met de motie van 4 november 2010 wordt met de ontwikkelaar wordt een overeenkomst gesloten, waarmee zij aansprakelijk zijn voor de vergoeding van (eventuele) planschade;

2. a. De gemeente staat op het standpunt dat het plangebied qua ligging en qua huidige gebruik geen deel uit maakt van het landelijk gebied. De locatie is in de huidige situatie ook bebouwd, zij het minder intensief. Direct ten zuiden en ten noorden van de bebouwing ligt geconcentreerde bebouwing. Het bebouwen van het plangebied draagt bij aan het versterken van de stedenbouwkundige structuur ter plaatse. Wat betreft de bouwhoogtes is geen sprake van de aantasting van het dorpse karakter vna Watergang. De bebouwing bestaat overwegend uit woningen van een bouwlaag met kap. Een goot- en bouwhoogte van 4 respectievelijk 9 meter sluit goed aan bij de bebouwing in de omgeving;

2b. De cultuurhistorische waarde van het schoolgebouw is beperkt; er is geen sprak van een monentaal gebouw. Overigens kan de cultuurhistorische waarden kan moeilijk in stand worden gehouden, wanneer er geen kostendragende functie in het gebouw komt. Uiteraard wordt onderhoud aan het pand uitgeverd wanneer er sprake is van (constructieve) onveiligheid. De constructieve verbinding met het woonhuis is wel een aandachtspunt voor de uitvoering. Dit staat op voorhand het vaststellen en uitvoeren van het bestemmingsplan niet in de weg;

2c. Aan de zijde van de Kanaaldijk is in het voorgenomen bouwplan inderdaad van een afwijkend bouwpatroon. Dit is noodzakelijk, om de benodigde parkeerruimte in het plangebied te realiseren. Overigens is aan de zijde van de dorpsstraat wel sprake van het voortzetten van de lintstructuur. Daarbij is gezorgd voor een afwisseldend bebouwingsbeeld met verschillende woningtypes en een verspringende rooilijn;

2d. Beide plannen kunnen niet met elkaar worden vergeleken. In het voorliggende geval is sprake van een integraal plan voor de realisatie van 18 nieuwbouwwoningen, terwijl bij het voorbeeld van de indiener sprake is van de uitbreiding van een bestaande woning. Plannen worden altijd op hun eigen merites beoordeeld;

3. Hiermee wordt bedoeld dat een stdenbouwkundig plan voor het gebied is gemaakt. Het (definitief) toedelen van eigendom is aan de orde wanneer het bestemmingsplan is vastgesteld en de woningen zijn verkocht;

4. Omdat de omstandigheden in de tussentijd iets zijn gewijzigd (bijvoorbeeld verkeersintensiteiten), wordt het geluidsrapport geacualiseerd. Daar worden de opmerkingen van de indieners in meegenomen;

5. Een verzoek tot planschade kan worden ingediend op het moment dat het bestemmingsplan is vastgesteld. Voor de afhandeling van planschade zijn de regels uit de Wet ruimtelijke ordening van toepassing.

8.2 Aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan

Ten opzichte van het vorige ontwerpbestemmingsplan zijn de volgende zaken aangepast:

  • naar aanleiding van het welstandsadvies zijn de bouwhoogtes en rooilijnen van een aantal woningen aangepast. Dit komt vooral tot uitdrukking op de verbeelding;
  • in de planregels zijn een aantal technische wijzigingen doorgevoerd naar aanleiding van het vaststellen van het bestemmingsplan Kernen 2013 en de IMRO 2012. Het gaat daarbij om de begrippen en de benaming van bestemmingen;
  • in de planregels zijn een aantal bepalingen opgenomen met betrekking tot het parkeren;
  • het ecologisch onderzoek en geluidsondezoek zijn geactualiseerd. De resultaten hiervan zijn verwerkt in de toelichting;
  • de waterstructuur en watercompensatie is gewijzigd;
  • wijzigen toelichting op basis van het meest recente beleid;
  • wijzigen toelichting en verbeelding op basis van het meest recente stedenbouwkundig ontwerp;
  • toevoegen bestemming 'Tuin - Onbebouwd''
  • actualiseren geluidsonderzoek op basis van het meest recente stedenbouwkundig ontwerp.